Publiceren in ‘t Engels

Naar aanleiding van een discussie op Woordenwoud heb ik dit stukje ook maar even op de site gezet.


Publiceren in Engelstalige markten



  • besef goed dat je concurreert met heel veel mensen voor wie Engels de moedertaal is.
  • voor ieder Nederlandse schrijver die werk instuurt is er concurrentie van 900-1000 Engelse schrijvers.
  • de Engelse markt is een markt. Onderzoek die markt.
  • volg de richtlijnen van specifieke markten exact.
  • verzorg je Engels tot in de puntjes. Verhaal, bio, begeleidende brief etc. Alles.
  • verwacht afwijzing (ter illustratie. Verhalen die ik naar semi pro en pro markten stuur krijgen gemiddeld 5 tot 7 rejections voor ik een passende match heb. Het moet maar net aansluiten/passen/klikken met de editor die de boel moet samenstellen.)
  • heb geduld! Sommige markten doen er bijna een jaar over om te reageren.


Engels perfectioneren

Is je Engels niet goed genoeg? Zoek dan een vertaler (hier bijvoorbeeld).
Is je Engels redelijk? Laat een vertaler of native speaker ernaar kijken.
Is je Engels goed? Laat Engelse proeflezers op je werk los.
Ook als je Engels perfect is: Engelse proeflezers! Je blijft Hollander en je weet niet alles.
Word lid van schrijfclubjes (Engelse), zoals, (er zijn er veel meer!)
Bezoek Engelse schrijfsites zoals: (er zijn er veel meer!)
Kijk eens naar de SFWA en HWA sites, daar staat een schat aan informatie.
Waar zoek je je markt?Er zijn zo’n 3500 tot 4500 ‘fantastische’ markten. Da’s heel veel. Die varieren van kleine, online blaadjes tot de grote, gevestigde namen zoals Analog, Asimov’s en Clarke’s World.
Hierbij kun je onderscheid maken in uitgevers van bladen, boeken/anthologies en online publicaties.
Een tweede onderscheid is betaling:

  • je hebt no pay/exposure/for the love uitgaven die niets betalen
  • token payments (meestal minder dan 1 dollarcent per woord of alternatieve vormen van betaling, bijv extra bewijsexemplaren oid)
  • semi pro betaling, 1 tot 4.9 cent per woord en pro betaling
  • 5 cent per woord (sinds dit jaar volgens SFWA zelfs 6 cent of meer per woord)
  • royalty betalingen, meestal voor een procentueel deel van de winst van een anthology (denk 2-3% van de netto opbrengst per deelnemende schrijver)

Je zult merken dat het aantal acceptances dat je krijgt afneemt naarmate je je meer op de ‘pro’ markten richt. De kans in een token markt gepubliceerd te worden, is vele malen hoger dan een publicatie in een pro markt.

Gelukkig zijn er tegenwoordig lijsten en zoekmachines die je kunnen helpen:,,,
Het is soms een hoop zoekwerk om de juiste markt te vinden. Heb je weinig verhalen, dan is het eenvoudig. Heb je veel verhalen aan te bieden, dan kan het qua tijd in de papieren lopen (ikzelf besteed per maand minstens twee a drie avonden aan het zoeken van de juiste markten)

Bijhouden van je submissions

Heel belangrijk, uitzoeken waar je verhalen gebleven zijn. Vooral als je er wat meer rond hebt zweven. Duotrope houdt dit netjes voor je bij, maar er is een gratis concurrent genaamd die tegenwoordig zo’n 80% van duotrope emuleert. Die gebruik ik zelf.

Komt er een rejection? Geen nood, er zijn genoeg markten. Niet alles is geschikt voor alle markten. Kijk waar je verhaal het best tot zijn recht komt.
Duurt het volgens je administratie te lang voor je antwoord krijgt? Waag er een mailtje aan. Het is business, dus er is een reden waarom het langer duurt. Dat kan negatief zijn, maar ook zomaar positief.

En als je dan geaccepteerd bent…Volgt er een contract. Zonder contract accepteer je geen publicatie!! Onthoud dat goed. Je hebt te maken met Amerikaanse bedrijven (of personen) en contracten zijn daar heilig en worden naar de letter uitgevoerd. Het is een zakelijke overeenkomst, jij levert iets, zij betalen ervoor. Er zijn condities, lees ze goed door. Kijk wat je weggeeft en voor hoelang. Vergelijk met de standaardcontracten die je bij SFWA kunt vinden. Lees de ‘editors en preditors’ sectie van de SFWA door om te kijken wat kan en wat niet kan.

Red Village writing weekend

Red Village Weekend Workshop Q4 2013 Write Up

Finally I have found some time to do a write up of the Red Village Weekend Workshop that Michael Blommaert, Edward van Egmond, Maarten Luikhoven and I held at the end of last year. It’s a quarterly event, but usually a pretty last minute arrangement because Maarten is in Holland very infrequently. Our first workshops were early in 2012, but we liked them so much we made it into a recurring event and gave them a name, based on our location for the workshop, which is the Red Village in Hilversum.

First we did some catching up on the past months since our last meeting and we discussed some of our successes in the past year. Unfortunately many publishing opportunities take that long to actually get back to you, accept your story, edit it, do layout, create the actual book or magazine and start promoting it. It’s a process, we all agreed, but why does it have to take so looooong???? Anyway, all of us have work accepted at various English publishers and of course reaching nice positions in contests last year created some publishing opportunities in the Netherlands as well.

It’s funny to see that each of us have our own specialties when it comes to writing. Michael Blommaert loves writing alternate history combined with weird fantasy themes. Edward van Egmond has a distinct love for Eastern culture, sometimes combined with Lovecraftian themes, which shows in his work. Maarten is a fan of Iain Banks’ Culture novels and some of his stories feature the kind of ultra scale imaginings that Banks was so good at. He also writes with a touch of bizarro, which often gives interesting results. I myself am the most prolific of the group. There is a definite slant towards existentialism in my work, although I try to be allround and I make it a point to write each next story in a different voice, with different themes and often new experimental writing, to see what evokes the best response from our proofreaders. This regularly results in me cooperating with one of the other guys on stories.

We started out with a todo list for some of the anthologies and contests we were writing for at the time. One specific contest allowed us to send in quite a few stories and we all wanted to participate, so we dedicated the whole of Sunday to it. This particular contest delivers jury reports after the first round to improve your stories with and resubmit. This requires secrecy from the participants to not influence the jurors, so I won’t go into any detail here.

Another point we wanted to discuss and investigate more deeply was world building. And yes, we’re all very fond of maps of the worlds that we write in or about and we want to know about the history of such a world from as many perspectives as we can come up with. We came up with some interesting worlds in which certain laws of physics were more or less pliable and we designed the seven wonders of that world based on those altered laws. We spent most of Saturday morning on discussing all the intricacies and details of such a world.

After that it was time for lunch and more discussions on the various US and UK opportunities we saw for some of our stories and ideas. To Dutch people it’s sometimes overwhelming to see how large the English language market is compared to the limited size and therefore limited number of publication possibilities in the Netherlands. Fortunately our English writing skills are good enough to compete in that huge market. (at least that’s what we think…)

In the afternoon Michael Blommaert used his considerable LARP GM skills to guide us through a couple of hefty dialogues in different and mostly challenging situations. It’s strange to say things you yourself would never say in real life, but imagining yourself for example running away from a zombie horde with your brother or sister right beside you, forces you to talk different, short, quick sentences to preserve breath. No time for flowery prose and such, just straight up survival. Interesting to say the least and helpful for writing proper dialogue in stories.

After dinner we had a physics and human physiology discussion with both Edward and Maarten showing different types of martial arts moves and weapons use and the improbability of many of the moves typically seen in bad kung fu movies. Quite educational in fact. I remember a few scenes that I may want to revisit now that I’ve seen that some things are just plain impossible. That concluded the first day of our workshop weekend.

The second day was spent in relative silence with mostly sound of clicking keyboards on laptops to be heard. We were writing, editing and critiquing to get all the stories we had prepared weeks in advance into our computers. The results were pretty good and we ended that day with four nearly finished stories that we would polish over the next days and weeks to enter into the aforementioned contest.

It’s of course only two days per quarter, but the direct face to face communication and feedback really helps us along in our writing endeavors. It’s becoming kind of a tradition, a nice one, and we want to keep it like this. Looking forward to our next weekend!

Later als ik groot ben

Later als ik groot ben…

en net zo oud word als Paul Harland

Je hebt van die dagen dan denk je terug aan het verleden. Naarmate je ouder wordt, heb je dat vaker. Ik beschouw mezelf niet als oud, maar ook niet als de jongste. De laatste dagen was ik bezig met het inrichten van mijn eigen websites en daarbij kwam regelmatig de naam Paul Harland voorbij. Ik heb immers regelmatig met Paul verhalen geschreven en ik was ook een van de weinigen in de wereld aan wie hij het vertalen van zijn werk toevertrouwde. En dan ga je toch weer even nadenken. En dan kom je op de site van de Paul Harland Prijs terecht en je vindt nog eens wat informatie op het Internet over Paul en dan denk je terug aan die hele lange tijd geleden…

Hoe zat het ook alweer?

De eerste keer dat ik Paul Harland tegenkwam was tijdens de uitreiking van de King Kong Award 1991, nu twintig jaar geleden. Het was het jaar na de Worldcon in Den Haag en ditmaal was iedereen bijeen in het Atlanta Hotel in Rotterdam. Ik was uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de uitreiking van de King Kong Award. Mijn eerste aanraking met het fenomeen science fiction conventie, dat was al shockerend op zich. Nerveus, want je weet maar nooit. Het werd uiteindelijk de Rob Vooren Prijs voor beste nieuwkomer. Shock nummer twee. Positief overigens. Het is wat wazig, maar er staat me iets bij dat Paul naar me toekwam en vroeg of we een keer konden afspreken want het leek hem wel een keer iets om samen een verhaal te schrijven. Shock nummer drie. Daarna hebben we geloof ik ergens chinees gegeten met een paar schrijvers samen. Grappig hoe je geheugen wazig wordt na twintig jaar. Als ik kijk naar een paar van de foto’s uit die tijd, dan komt er wel weer een en ander bij me terug. Ik zat nog in mijn haarverlies-ontkennings-fase. Lange paardestaart. En ik droeg mijn zwart-witte woon-kabeltrui, maar dat kan ook het jaar erna zijn geweest. Waar dat ding ooit gebleven is. Die mis ik nog steeds. Ik herinner me nog wel heel goed gesprekken met Dan Simmons die dat jaar eregast was en zijn toespraken maakten een grote indruk op me. Ook Orson-Scott Card was aanwezig en die is me ook bijgebleven.

Tussen Kerst en oud-en-nieuw reisde ik twee keer naar Utrecht. Immers, ik had een OV kaart als student, dus voor mij was dat makkelijk. En Paul had natuurlijk zijn eigen huis, ik had een kamertje, dus dat was allemaal wat makkelijker. Een van die keren werd ik nog lastig gevallen op de roltrap van Utrecht Centraal door een junk. Nee, geen langdurige trauma’s aan overgehouden. Van de junk weet ik het niet. Dat soort dingen blijft je dan bij. Hij woonde in het centrum van Utrecht, vlak voorbij de Dom gezien vanuit het station, kwartiertje lopen meen ik me te herinneren.

In zijn ruime woonkamer, grijze vloerbedekking, een wand rechts bij binnenkomst vol met boekenkasten, de andere wand ertegenover op zich vrij, maar tafels met computer en keyboards, aan de raamkant wat lage kastjes en een grote bank. En dozen boeken en bladen. En losse stapels boeken. En een doos met kabeltjes en electronica-frutsels. De zwart-wit foto van zijn grote liefde aan de muur. ‘Hij kon urenlang geobsedeerd naar een vliegje kijken. Dit was zo’n moment.’ Paul had de foto zelf genomen. Hij vertelde me die eerste dag wat over zijn leven en hoe hij zijn vroege jaren de wereld over had gereisd en fotografie opdrachten had uitgevoerd. We waren allebei Ram, vlak na elkaar jarig, Paul alleen wat jaartjes ouder dan ik. Vervolgens even wat drinken, grote bekers koffie, en wat lekkere hapjes op tafel en dan overleggen en brainstormen over het hoe en wat en waarom. En dan kom je erachter hoe iemand in elkaar zit. Dan merk je hoe menselijk de persoon Paul Harland eigenlijk is, hoewel hij in een bepaald opzicht natuurlijk achter dat pseudoniem leefde en zelden het achterste van zijn tong liet zien. Dan vind je uit hoe diep zijn gedachtenwereld eigenlijk is en verbaas je je over hoeveel de man aan kennis in zijn hoofd heeft opgeslagen en de rijke details over van alles die hij weet op te lepelen. Paul had een ijzersterk geheugen. Niet voor alles, dat vond ik wel uit, maar wel voor heel veel. Ik vroeg hem naar het toch wel prominente litteken in zijn nek. Infectie, ze moesten wat wegsnijden. Geen opsmuk, geen moeilijke dingen, dat was wat het was. Raar genoeg, besef ik me nu, heb ik juist dat van hem overgenomen: het is wat het is.

Ons eerste overleg was vruchtbaar. We wisten wat we wilden: een tijdreis verhaal met een twist. Waarom? Omdat er daar te weinig van waren in Nederland. Zo simpel kan het zijn. Ik was in die tijd gefascineerd door Napoleon, Paul was altijd gecharmeerd geweest van Oscar Wilde. ‘Little boys should be obscene and not heard.’ Dat was zijn favoriete Wilde quote. Dus die moesten er als hoofdpersonen in komen. En zo gaandeweg ontstond het idee voor Retrometheus. De muziek ging aan, redelijk hard, iets experimenteels, maar rustig genoeg dat ik me kon concentreren. Paul ging achter zijn PC zitten, ik kreeg het laptopje en we schreven een kleine synopsis van stukken die we nodig hadden. En begonnen te schrijven. De eerste paar duizend woorden waren al snel klaar en toen gingen we een van Pauls specialiteiten eten: rijk gevulde pindasoep. Ik heb geen vergelijkingsmateriaal, maar het was verdomd lekkere soep. Daarna meer schrijfwerk tot een uur of elf, ik naar huis met een van de laatste treinen en de volgende ochtend weer vroeg richting Utrecht voor de volgende fase.

De tweede dag was meer van hetzelfde, maar nu kwam er al meer discussie over een aantal van de detailpunten in het verhaal. Daar kwamen we verbazingwekkend snel uit met elkaar en het tempo lag hoog. Feitelijk schreven we de kern van het verhaal die dag af, zo’n 10.000 woorden en de maanden daarna wisselden we met name gedachten en verbeteringen uit, tot het moment was gekomen het verhaal in te sturen, hetgeen Paul voor zijn rekening nam. Wat ook de reden is dat er twee edits van het verhaal zijn, één met de laatste wijzigingen van Paul erin, één met mijn laatste wijzigingen erin.

We vierden het succesvol afronden van het verhaal met een bezoekje aan een restaurant aan de Utrechtse grachten, Mejufrouw Janssens genaamd. Paul kende het restaurant, vond het goed, en vond de gelijkenis met mijn achternaam om de een of andere reden bijzonder grappig. Twee gedenkwaardige dagen. Het verhaal won de King Kong Award van 1992.

We hadden nog wat discussies over de organisatie, maar Paul deed dat af met zijn favoriete: ‘ze zijn zo interessant als het vier tons standbeeld van een dode hond,’ en liet het daarbij.

In de jaren erna liep ik Paul natuurlijk met regelmaat tegen het lijf. Conventies, SF-Cafe in Den Haag, uitreikingen, bezoekjes aan Roelof Goudriaan waar we beiden aanwezig waren. Immers, Paul publiceerde zijn werk bij Babel Publications dat ik in 1993 met Roelof begonnen was. Dus ook regelmatig overleg over artwork, verhalen, de minimale redactie die daarvoor nodig was, Paul was immers een bovenmatig perfectionist.

Ik raakte Paul een beetje uit het oog toen ik klaar was met studeren en begon met werken. Je merkt dan toch dat je je tijd besteedt aan je werk en minder aan schrijven. Life happens en dat gold ook voor mij. Het werd een tijdje stil en ik sprak Paul nog maar zelden, maar wanneer ik hem dan sprak, dan was hij voor mij de Paul Harland die ik had leren kennen als een goed en plezierig en bijzonder scherp mens.

En toen kwam het telefoontje van zijn overlijden. En dan merk je hoeveel deze man eigenlijk voor je betekend heeft, ook al zag je hem weinig meer. Ik was er kapot van. Ik ben een paar dagen later samen met Michael en Ed del Pino naar de crematie geweest waar heel veel vrienden, familie en bekenden bij elkaar waren om afscheid te nemen en dat was emotioneel en heel droevig.

Paul Harland of Paul Smit zoals je werkelijk heette, ik ben nu bijna net zo oud als jij was toen je leven abrupt eindigde. Je hebt me altijd stof tot nadenken gegeven en blijkbaar doe je dat nog steeds. Bedankt.

Met hapjes,’ zoals Paul dan zou antwoorden.

Hilversum, 8 oktober 2011

Mike Jansen

Relevante links:

Paul Harland Prijs:
Verschijnsel-uitgaven Paul Harland:
Fantastische Vertellingen-uitgaven Paul Harland:

Een schrijver zoekt publiek

Na een afwezigheid van vele jaren van het schrijven en uitgeven van Science Fiction en Fantasy bedenk ik me op een mooie septembermorgen in 2011 dat het tijd wordt voor het schrijven, publiceren en uitgeven van mijn eerste boek. Dat heb je wel eens. Nieuwsgierig naar de stand van zaken in uitgeefland Nederland trek ik Google open en speur ik de diverse zoektermen af op voor mij relevante zaken.

Het zal niemands verbazing schetsen: er is bijzonder weinig veranderd. Science Fiction en Fantasy in Nederland wordt gedomineerd door de Amerikaanse bestsellers die trouw worden vertaald door de grote uitgevers en vermarkt aan met name Fantasy-minnend Nederland. Ik zou een discussie kunnen gaan voeren over Nederlandse schrijvers die niet aan bod komen, maar daar gaat dit stuk niet over. Dit stuk gaat eigenlijk over de uitgevers en hun traditionele modellen. Want de wereld is de afgelopen jaren wel degelijk veranderd, maar het lijkt of de Nederlandse uitgevers er niet aan willen.

Waarom kaart ik dit aan? Twee redenen. De eerste was het persbericht van Amazon van 19 mei 2011 over de verkochte aantallen ebooks ten opzichte van gedrukte boeken: voor het eerst verkocht Amazon meer ebooks dan traditioneel drukwerk. De tweede was het eigenaardige verzoek van mijn vrouw de ebooks die ze begin september bij gekocht had op de iPad te zetten. Dat bleek namelijk niet zo eenvoudig.

Met de introductie van de Kindle ereader heeft Amazon een eigen ebook-platform geïntroduceerd dat zijn gelijke niet kent in de wereld. Bedenk goed, de eerste Kindle was er vier jaar geleden pas. En nu is bij Amazon het aantal boekverkopen voor ebooks groter dan alle drukwerk-verkopen bij elkaar. Ik noem dat revolutionair. Overigens geldt dat over de gehele USA gezien ebook verkopen 13,6% van het totaal waren. Een groei van ruim duizend procent in drie jaar. Dat noem ik nog steeds revolutionair. En dan lees ik dat het aantal verkochte ebooks in Nederland wel 1,5% van het totaal aantal verkochte boeken is en dan denk ik: waar komt dat immense verschil vandaan? Dat je als land achterop loopt in de adoptie van bepaalde soorten technologie, dat is begrijpelijk. Maar dit verschil is te groot, daar zit meer achter.

April 2010 zat ik met de introductie door Apple van de iPad in Las Vegas, dus ik heb zo’n ding meegesleept uit de States. Ideaal om te browsen, strips te lezen, wat spelletjes voor de kinderen en, heel belangrijk, electronische boeken. Feitelijk betekent dit dat ik de iPad meestal kwijt ben aan vrouw of kinderen, maar dat heb ik er graag voor over. Dus toen ik mijn vrouw eindelijk zo ver had dat ze boeken ging lezen op de iPad besloot ze ook daadwerkelijk ebooks te kopen en dat deed ze bij Maar toen ze de koop ook gesloten had, kreeg ik vervolgens het verzoek die boeken ‘even’ op de iPad te zetten. Lastig, omdat ze alleen beschikbaar waren voor de Sony reader of Adobe Digital Editions. Voor diegenen die dit niets zegt: dit zijn boekenleesplatformen waarop je een ebook ‘mag’ lezen. Want je moet je ervoor registreren en je boeken worden in een soort online bibliotheek geplaatst die bijhoudt wat je waar hebt staan. Als je je boek op een ander apparaat wil gaan lezen dan moet je daar weer allerlei toeren voor uithalen om dat voor elkaar te krijgen. Dat noemen ze DRM, of Digital Rights Management, een kostbare beveiliging om je te verhinderen je zelfgekochte boek onverhoopt op een andere manier te lezen dan geoorloofd. Maar dit stuk gaat ook niet over DRM, het gaat nog steeds over de uitgevers en hun traditionele modellen. DRM is daar een symptoom van, zoals ik verderop zal uitleggen. Het omzetten naar de iPad van de boeken die mijn vrouw bij gekocht had kostte me overigens welgeteld één minuut. Daar ga je met je dure beveiliging.

Uitgevers geven boeken uit. Dat is hun primaire doel. Daarvoor moeten ze een aantal zaken doen en laten. Ten eerste moeten ze schrijvers zien te vinden die boeken schrijven die een bepaald publiek aanspreken. Vervolgens moeten die boeken netjes worden opgemaakt en geredigeerd, er wordt wat artwork geregeld en er worden pakkende teksten toegevoegd (blurbs of flapteksten.) Er vindt nog het een en ander aan administrativia plaats, zoals ISBN en aanmelding in wat verspreide systemen. En de boeken worden in een bepaalde oplage gedrukt (meestal natte vingerwerk) en in een opslag geplaatst. Dat is feitelijk het gehele uitgeef-systeem. Wat erachteraan komt is overigens ook heel interessant, namelijk: distributie, verkoop en marketing. Niet zozeer vanwege de inhoudelijke taken die daarin worden uitgevoerd, maar vanwege de kosten die ermee gemoeid zijn. Ja, die kosten variëren. Maar er zijn wat bekende percentages waarmee gewerkt kan worden. In principe bestaat de prijs van een boek uit Uitgeversdeel, Boekhandelskorting, Centraal Boekhuis, Marketingkosten en als laatste krijgt de auteur ook nog wat. Meer dan 50% gaat naar Boekhandelskorting, Centraal Boekhuis en Marketing. Meestal nog wat procentjes meer. Ga je uit van een boekenprijs van zo’n twintig euro per boek, dan kom je er snel achter dat zo’n elf tot twaalf euro in de overhead gaat zitten en niet aan de uitgeverij of de schrijver ten goede komt.

Ik begrijp wel waarom ebooks het niet goed doen in Nederland. Allereest hebben we een vaste boekenprijs, dus er kan niet echt gestunt worden met boeken, waardoor de –monopolistische- marges voor distributie en verkoop gehandhaafd kunnen blijven. Verwacht dus van die kant geen initatieven om ebooks aan te gaan bieden en zeker niet economisch gunstiger voor de consument. Ten tweede zijn onze uitgeverijen in Nederland en België gewoon te klein en ze missen dus de slagkracht om een eigen platform a la Amazon neer te zetten. Waaruit blijkt dit? Vrij eenvoudig: de kosten voor ebooks in de Nederlandse online boekhandels. Die wijken nauwelijks van de print-publicaties af. De reden? Volgens de uitgeef-branche zijn de ebooks qua productie net zo duur als gewone boeken en zit er 19% BTW op de ebooks ten opzichte van de 6% op gewone boeken. Wat je hier ziet is dat het digitale boek exact hetzelfde wordt behandeld als het gewone boek. Terwijl er een wereld van verschil zit in distributie, verkoop en marketing. Maar ja, laat daar nu het meeste geld blijven hangen. Ter illustratie: bij zijn we bezig met conversie van de bestaande print-boeken van een aantal auteurs naar ebook. Dat kost welgeteld ongeveer twee uur per boek, daarna is het klaar voor publicatie. Daarbij is niet meegerekend de tijd die al in redactie en perfectionering van het print-boek is gaan zitten.

De Nederlandse uitgevers lopen dus een paar jaren achter. Op zich is daar niets mis mee, het betekent alleen dat wanneer de omslag komt, deze harder zal aankomen voor de traditionele uitgevers. Digitale uitgaven zijn nu eenmaal anders, dus die kun je niet behandelen als een papieren uitgave. Een aantal markante trends van de overzijde van de grote plas dient zich aan:

  • van Amerikaanse schrijvers wordt door traditionele uitgevers steeds meer verlangd dat ze zelf redactie, opmaak en marketing voor hun werk doen, terwijl de marges voor de schrijvers steeds lager worden (3% marge per boek is geen uitzondering meer.)
  • Contracten van traditionele uitgevers worden steeds veelomvattender en dekken tegenwoordig vaak electronische uitgaven, merchandising en nog veel meer af.
  • Het aantal zgn. Indie schrijvers (schrijvers die zelf hun (e)boeken uitbrengen en vermarkten) neemt dramatisch snel toe.
  • De grote e-tailers hebben hun eigen eco-systeem van e-readers en ebooks opgebouwd en bieden daarmee een immens ebook platform.
  • Er ontstaan publicatie-distributie-platformen die op grote schaal mensen in staat stellen zelf boeken uit te geven, onder eigen naam en verantwoordelijkheid en die daarbij een compleet e-distributie netwerk naar de grote e-tailers bij aanbieden. En daarmee kun je succesvol zijn.

Ik stel dat het bovenstaande ook in Nederland te gebeuren staat. Amazon verkoopt de Kindle inmiddels ook naar Nederland. De iBookstore verkoopt nu ook Nederlandse boeken, niet gehinderd door Nederlandse wetgeving over boekenprijzen.

Nu kun je je afvragen of ik hier een revolutie verkondig. Maar niets is minder waar. Ik hoef niet op te roepen voor een revolutie. Want die heeft Amazon vier jaar geleden al veroorzaakt met de introductie van de Kindle. Het is enkel een kwestie van tijd voordat de aanschaf en consumptie van ebooks in Nederland dezelfde vormen aanneemt als in de States. Voor de uitgevers betekent dit dat ze moeten aanpassen. Maar omdat ze de content van schrijvers aggregeren voor de consumenten is er wel degelijk een rol voor ze weggelegd. Minder goed vergaat het distributie en verkoop en ook de marketing zal te lijden hebben onder veranderende media. Internet immers stelt uitgever en auteur in staat direct contact te hebben met lezers, voor marketing, distributie en verkoop. Marketing gaat nu eenmaal niet alleen om advertenties, maar ook om communicatie, het verkrijgen van aandacht en het optimaliseren van boodschappen, zowel van de auteur en uitgever naar de consument als van de consument naar uitgever en auteur. Distributie en verkoop zijn in het geval van ebooks via Internet evident.

Boven dit stuk schreef ik “Een schrijver zoekt publiek” en dat is uiteindelijk de insteek. Maar daarbij loop je dus tegen het traditionele uitgeversmodel aan. Toen ik in 1991 een verhaaltje genaamd “De Laatste Draak” schreef, verscheen dat in Ator Mondis deel 3, in een oplage van naar ik meen honderd exemplaren. Had ik meer gewild? Jazeker. Maar er was in die tijd niet heel veel ruimte voor aanstormend talent, dus elke publicatie was meegenomen. Een van de redenen destijds om samen met Roelof Goudriaan Babel Publications op te richten was het gebrek aan uitgeverijen die de moeite wilden nemen auteurs een platform te geven. Snel vooruitspoelen naar 2011, twintig jaar later. De uitgeverijen zijn grotendeels identiek. Hun manier van werken is niet heel erg veranderd. Maar de wereld verandert wel.

Toen ik dus begin september weer begon te schrijven, informeerde ik bij Roelof Goudriaan, die Babel Publications had voortgezet als Verschijnsel, of hij geïnteresseerd was in een roman van mijn hand, gebaseerd op “De Laatste Draak”. Het antwoord was ja, maar tijdens die discussie kwam ook het fenomeen ebook naar voren en de activiteiten die Roelof daar eerder in ontplooid had. Hij was tegen dezelfde problemen aangelopen die ik eerder in dit stuk beschreven heb. Ik vertelde hem van mijn kleine onderzoekje en we besloten een experiment te houden: we gingen een aantal van de bestaande Babel-SF boeken die out-of-print waren, als ebook aanbieden via een van de Amerikaanse ebook platformen en dan bij voorkeur het platform met de beste ebook-distributie. Daarnaast wilden we een aantal ebooks gratis aanbieden om mensen kennis te laten maken met de verschillende auteurs uit het Verschijnsel/Babel Publications portfolio. Dit alles via een nieuw op te richten Verschijnsel.NET site die zich richtte op het aggregeren van de ebooks die door Verschijnsel worden uitgegeven. En passant bombardeerde Roelof me nog tot hoofdredacteur voor Verschijnsel.NET, want die was nodig en wie beter dan de vroegere hoofdredacteur van Babel Publications?

Op het moment van schrijven zijn we al overtuigd van het succes van het nieuwe model. “De Laatste Draak” is een van de ebooks die ik gratis ter download heb aangeboden via een site genaamd Smashwords die boeken in alle formaten, zonder DRM, ter beschikking stelt. Daarnaast distribueert Smashwords naar de iBookstore, Amazon, Barnes & Noble, Diesel eBooks, Sony eBookstore en Kobo. Ja, inderdaad, “De Laatste Draak” is terug te vinden op al deze sites, als gratis download. Het voordeel voor de auteur is dat je je als consument wel moet aanmelden bij deze sites, voor je kunt downloaden. En dat geeft je als schrijver een heel helder inzicht in de platformen en de aantallen lezers die geïnteresseerd zijn in je werk. Ter illustratie, via Smashwords alleen al is “De Laatste Draak” nu ruim vierhonderd keer gedownload, in iets meer dan drie weken (de duizend is op 10 januari 2012 gepasseerd, in juni 2012 stond de teller op 2500). Ik ben ook heel benieuwd naar de aantallen downloads via de andere platformen, zeker gezien het aantal iPhones en iPads in Nederland en de talloze Android toestellen die allemaal potentieel een e-reader zijn.

Als ik terugkijk op die eerste oplage van “De Laatste Draak” en de aantallen die nu gedownload worden, dan weet ik dat ik nu mijn publiek gevonden heb. In het ebook heb ik al aangekondigd dat er een roman aankomt en de mensen die het verhaal ook daadwerkelijk gelezen hebben, zullen dus bij een eventuele aankondiging van de roman alvast een stukje van het verhaal kennen en zich afvragen hoe het allemaal verder gaat. En zijn misschien bereid het ebook te kopen, of zelfs de print-versie. Want ook daar ligt nog een rol voor de uitgever. De print-publicaties blijven interessant, mits ze iets bieden waarin een ebook niet kan voorzien. Voor mijn eerste roman, “De Falende God”, hebben Roelof en ik gekozen voor een extra achtergrond-verhaal dat los gelezen kan worden, maar dat wel inzicht geeft in een aantal van de plotten en verhaallijnen die door de roman lopen. Daarnaast zitten er illustraties (in de vorm van kaarten) in de print-versie van het boek. Op die manier bied ik de consument, mijn lezers, een keus. En de tijd zal het leren.

Overigens verandert er ook wel degelijk een en ander voor de schrijver. Die is namelijk veel meer betrokken bij het uitgeef-proces, met name in de methode die Verschijnsel hanteert. Wij gaan uit van een aantal principes:

  • is een imprint, een label, een plek waar Verschijnsel ebooks netjes verzameld staan, maximaal toegankelijk voor de consument.
  • De schrijvers geven hun ebooks zelfstandig uit, maar onder Verschijnsel label. We doen dit vanwege Yog’s Law, die er van uitgaat dat geld naar de schrijver moet vloeien. Op deze manier behoudt de schrijver totale controle over het eigen werk en heeft daar dan ook de maximale revenuen van.
  • Schrijvers bedienen hun eigen publiek conform de Long Tail theorie.
  • Verschijnsel helpt waar nodig, natuurlijk niet geheel onzelfzuchtig: Verschijnsel verdient aan de ‘print-specials’ die door een select publiek gekocht zullen blijven worden.
  • De rol van Verschijnsel is met name kwaliteitsbewaking.

Voordat Nederland op het niveau van de Verenigde Staten komt qua ebook acceptatie gaat er nog heel wat water onder de brug door. De uitgevers, distributie, boekhandels en marketeers gaan zich tot het uiterste verzetten om de bestaande modellen te handhaven. Er komen nog heel wat draconische DRM methodieken om mensen keuzevrijheid voor leesplatform te ontnemen en ze zijn allemaal gedoemd te mislukken zolang het omzeilen ervan een minuutje Googlen is. In de tussentijd voeren we met Verschijnsel.NET ons experiment uit en proberen we te ontdekken wat de beste nieuwe methoden zijn om onze lezers de meest optimale, gebruikersvriendelijke lezerservaring te geven. Wat ons betreft gaan schrijvers, uitgevers en consumenten een mooie, electronische toekomst tegemoet. Alle anderen zullen zich waarschijnlijk op iets anders moeten beraden.

Hilversum, november 2011, revisie januari 2012, juni 2012 voor online publicatie

Print publicatie in Holland SF Q1 2012.


Persbericht Amazon:

Ebook versus print totalen 2011:

The Making of an Indie Writer:

De Vrije Uitgevers, boekenkosten:

Yog’s Law:

Long Tail theorie:

Interview Holland-SF

Dit interview verscheen origineel in Holland SF nummer 4, jaargang 46

Je schrijft erg veel, wanneer je tijd hebt om te schrijven, en erg divers. Je hebt met je korte verhalen al diverse prijzen gewonnen, van de KKA voor beste sf-verhaal tot de literatuurprijs van het Cultureel Festival Baarn: een alleskunner. Je moet dus wel heel bewust hebben gekozen om je eerste grote werk een fantasycyclus te laten worden. Waarom?

Misschien niet het antwoord dat je verwacht, maar ik had gewoon zin om het Grote Nederlandse Fantasy Epos te schrijven. Nou ja, niet helemaal. Dat kwam later pas.

Zoals je weet begon ik eind 2008 weer productie te draaien toen Wonderwaan een aflevering met reisverhalen deed. Ik merkte toen dat het schrijven me eigenlijk weer heel goed afging, beter dan ooit tevoren. Meer levenservaring, veel geleerd, alles heeft natuurlijk zijn invloed.

In de maanden die volgden kreeg ik nog eens een hoeveelheid levenservaring over me heen zoals maar weinig mensen die meemaken en dat zorgde ervoor dat mijn schrijven even op de achtergrond raakte. Ik hervond mijn balans eind 2011 en toen wist ik dat ik toe was aan mijn eerste boek.

Er was een beslissingsmoment waarop ik moest kiezen tussen hardcore science fiction, weird cyberpunk of dark, epic fantasy. Dat laatste had ik al flink ontwikkeld en de plotlijnen en verhaalelementen waren goed uitgewerkt. Dus uiteindelijk viel mijn keus daarop, ook omdat mijn ‘fantasyproductie’ beduidend hoger ligt dan bij de andere genres, ik hoef er gewoon minder bij na te denken. Een productie van 3000-5000 woorden per dag voor fantasy is bij mij vrij normaal.

Recensenten hebben al aangekaart dat je in de Cranborn-boeken een breed filmdoek hanteert: veel personen, veel locaties, en erg doordacht zodat stukjes soms (meer dan?) een boek na introductie op hun plaats vallen. Weet je al hoe de kronieken zullen aflopen?

Er is een uitgeschreven, grote lijn voor de reeks. Dat is de lijn die ik per boek oppak en volg en die me tijdens het schrijven telkens terugtrekt naar het plot en me op het rechte pad houdt. Ik vermijd dan ook angstvallig de valkuilen waar veel auteurs van grote fantasyreeksen inlopen. Ik ga niet ineens ellenlange beschrijvingen van de jurken van de vlechtfrunnikende hoofdpersonen geven of zoveel karakters introduceren dat de voortgang van het verhaal tot een slakkengang wordt gereduceerd (ja, ik heb het hier over Robert Jordan en George R.R. Martin.)

Omdat ik die grote lijn volg, weet ik ook wanneer het tijd is om de puzzelstukjes op hun plek te laten vallen. Er zitten heel veel lagen verweven in de boeken en wie de tijd neemt eens ‘om zich heen te kijken’, die zal zien dat er veel geschiedenis en folklore in de boeken zit. Om het nog wat erger te maken heb ik voor de printboeken van Verschijnsel nog extra verhalen geschreven die zo’n stuk geschiedenis vertellen en die een nieuw perspectief op de gebeurtenissen geven. Ik waarschuw ook expliciet in de boeken dat deze verhalen je perspectief op het boek zullen veranderen, want dat doen ze.

De grote lijn vertelt ook hoe het boek afloopt. Gelukkig heb ik daar een hoop vrijheid in, want veel van de wereld van Cranborn ligt nog open. In de tussentijd verhaal ik in hoog tempo de gebeurtenissen die langs de grote lijn liggen. Het is immers een tijd van oorlog en helden en magie en achterbakse kuiperijen en fluisteringen in het donker, zonde daar een moment van te missen. Daarom kies ik heel bewust voor korte hoofdstukken die telkens een fragment van de grote lijn laten zien en die de lezer zelf een groot stuk van de tussenliggende tijd laten invullen.

De laatste regel van het laatste boek weet ik overigens al. En de laatste regel van het extra verhaal dat in dat boek komt, weet ik ook al. Ik kan me nu al verheugen op een heleboel ‘wtf?’ momenten die de lezers daarvan ongetwijfeld gaan beleven…

Mij valt op hoe divers de verschillende hoofdstukken zijn: ironische humor met een basilisk, intense realistisch uitgevochten veldslagen met een flinke portie strategie, bravoure van swashbucklers, duistere psychologische horror. Breng je zo de lezer niet uit z’n evenwicht?

Ik hoop juist de lezer uit z’n evenwicht te brengen. Ik ben een verhalenverteller en het leven kent vele verhalen in vele vormen. Juist de variëteiten in verhaalstijl en vorm maken denk ik dat de boeken beter aansluiten bij de belevingswereld van mijn lezers. Maar goed, da’s mijn mening. Ik denk dat die mix van verschillende stijlen en serieuze en minder serieuze stukken de boeken juist heel plezierig leesbaar maken. Er zullen stukken zijn die sommigen niet bevallen en anderen weer wel. Dat wil overigens niet zeggen dat ik probeer voor ‘iedereen’ te schrijven, want dat kan gewoon niet, maar als lezer zal er altijd wel een hoofdstuk zijn waarin je wordt meegevoerd en waarin je kunt meeleven met de hoofdpersonen en juist die klik probeer ik mijn lezers te bieden.

Je zet de lezer ook graag op het verkeerde been, of vergis ik me daarin?

Mijn boeken gaan over mensen en mensen kunnen je verrassen. En ik probeer toch ook wel een boodschap in de boeken te leggen: niet alles is wat het lijkt… Dus ja, lezers kunnen wel eens een ‘huh?’ moment beleven als ze een gebeurtenis of activiteit zien waarvan ze aanvankelijk dachten dat die niet thuishoorde bij een bepaald karakter. Ik geloof nu eenmaal niet in de stereotype moordenaar, huurling en jager. Ze lijken het misschien wel te zijn, maar er zit vast meer achter. En zo geldt dat voor alle karakters in mijn boeken.

Fantasy gaat traditioneel over de strijd tussen goed en kwaad. Dat gevoel heb ik nog niet zo bij de Cranbornboeken. We zien het einde van een tijdperk, en een aantal sterke personen of facties die dat machtsvacuüm proberen te vullen. Allen hebben hun duistere kantjes, heel nare duistere kantjes soms, maar ze hebben ook hun drijfveren en hun eigen vorm van een ethiek. Dat geldt voor de Romeins aandoende intrigante Lianne, de angstaanjagende Brogar Larraunt, zelfs voor de mannenverslindende kerkstrijdster Voronastis. Hoe effectief is dat soort psychologische diepgang in een fantasyboek?

Goed en kwaad, zwart en wit, licht en donker. Het zijn de extremen van de menselijke beleving en ergens heel geruststellend. De slechteriken zijn duidelijk slecht, ze schoppen lolcats en moorden zonder blikken of blozen. Daar tegenover staat de nobele ridder op zijn witte paard, prodent smile, de paladijn voor alles wat goed is. Het is zoals het hoort, er is geen verwarring zoals in het dagelijks leven, het is de ultieme vorm van escapisme, een wereld waarin de schijnbare regels van onze maatschappij die ons zijn bijgebracht ook daadwerkelijk worden nageleefd en goed en kwaad perfect herkenbaar zijn. Lekker makkelijk dus.

Ik geloof daar niet in. Het meest duidelijke voorbeeld dat ik daarvoor heb is een van de hoofdpersonen in de boeken, de moordenaar Grijs. Er is een hele goede reden dat die meneer Grijs heet. Niet alleen is het zijn rang, het is ook zijn voorkomen, zijn gedrag, zijn wezen. Hij is niet goed, hij is niet slecht, hij is. Niet wit, niet zwart, maar grijs.

Noem het psychologische diepgang als je wil. Ik vind het niet meer dan normaal dat mensen verschillende kanten hebben en verschillende motieven om dingen te doen die we van een ‘goed’ of ‘slecht’ mens niet meteen verwachten. Ik geef toe, dat maakt het voor sommige mensen minder ‘Fantasy’ dan andere boeken, maar ik vertel op de achterkant van het boek en in de introteksten toch echt dat het dark fantasy is en dat moet je maar net leuk vinden.

En toch, en toch, en toch, zit er wel iets in van die strijd tussen goed en kwaad. Maar dan op een heel hoog, bijna esoterisch niveau, waarbij de vraag wie nu eigenlijk goed is en wie kwaad, niet heel eenvoudig beantwoord kan worden.

Wat schrijf je liever, intrige of veldslag? En: wat schrijf je beter?

Intrige vind ik leuker, veldslag schrijf ik beter en sneller. Ik denk dat het te maken heeft met de hoeveelheid achterbaks denkwerk die ik voor intrige moet verrichten terwijl een veldslag een relatief eenvoudige ‘wij tegen zij’ situatie beschrijft.

Het taalgebruik van de Cranbornboeken is veel directer dan de bloemrijke taal die veel van je collega-schrijvers hanteren. Het geeft de boeken heel veel impact, en het maakt ze ook erg toegankelijk. Hoe zie je dat zelf? Heb je je schrijversstem aangepast voor deze fantasycyclus?

Ik hanteer verschillende stijlen voor verschillende verhalen en boeken. Voor Cranborn hanteer ik inderdaad een directe stijl. Die keus is niet zozeer ingegeven door de wens een bepaalde stijl te hanteren, maar meer door de wens mijn eigen werk te kunnen lezen in de stijl die ik in Fantasy het meest waardeer. Jazeker, ik lees soms nog eens een stukje in mijn eigen boeken en elke keer moet ik uitkijken dat ik niet ineens weer drie hoofdstukken verder ben.

Een van mijn grootste voorbeelden hierin is de dark fantasy schrijver Glen Cook (The Black Company, The Dread Empire) die ik telkens opnieuw kan lezen. Daarnaast ben ik een verhalenverteller, geen stilist. Ik probeer dus zoveel mogelijk verhaal te vertellen in een compacte vorm en deze schrijfstijl leent zich daar perfect voor, zoals enkele recensenten ook al opmerkten. Daarnaast lenen de gebeurtenissen die ik beschrijf zich niet zo voor bloemrijk taalgebruik en past dat niet bij de mensen over wie ik schrijf.

Ik gaf het al aan, verschillende stijlen voor verschillende verhalen en boeken. Cranborn heeft een bepaalde thematiek en setting waarbij een specifieke schrijversstem past, dus die hanteer ik dan ook. Voor andere settings en thema’s kan ik weer een hele andere stem opzetten, die veel beter past bij wat nodig is om een maximale impact uit een verhaal of boek te halen.